Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

I can't go on. I'll go on

Verschenen in: Jan Lauwers
Auteur: Sigrid Bousset

 

I can’t go on. I’ll go on

 

Over Jan Lauwers

 

 

Ik herinner me de binnenkoer van het Cloître des Célestins tijdens het theaterfestival van Avignon in juli 2005: twee imposante platanen bepalen de ruimte, daarachter lange tafels feestelijk gedekt met tientallen glazen, versierd met rode kers. Jan Lauwers toont er met zijn gezelschap Needcompany Needlapb X, een open laboratorium dat steeds op andere plekken in Europa plaatsvindt. Een jaar eerder ging De kamer van Isabella in première in het Cloître des Carmes en werd het de revelatie van het festival. Tijdens Needlapb X worden de eerste fragmenten tekst, dans, film en muziek voor de nieuwe creatie De Lobstershop gepresenteerd.

       Op het ogenblik dat het spektakel aanvangt, om 23 uur, is de warmte draaglijk geworden. De cicaden zwijgen, de nachtlucht boven de scène is diepblauw. Dat alles bepaalt mee de sfeer van een poëtisch evenement. De Needcompany-performers lopen druk af en aan, treffen de laatste voorbereidingen voor een avond die het midden lijkt te zullen houden tussen voorstelling en party. Jan Lauwers verschijnt in een piekfijn zomers pak. ‘J’aime aider les gens’, zo opent Maarten Seghers, de jongste acteur van het gezelschap. Hij kijkt het publiek intens aan. ‘Parfois ils pleurent avec moi. Zijn open blik en de ontwapenende inhoud van zijn mededeling leggen het contact met het publiek op de meest direct mogelijke manier. ‘Je vais vous plaire ce soir. De acteurs rond hem glimlachen stralend.

       Entrepreneurs in entertainment’, zo noemde Jan Lauwers zijn gezelschap Needcompany ooit. Daarmee beklemtoont hij het belang van het plezier, het geamuseerd zijn tijdens de creatieve act, en geeft hij tegelijk de nauwe grens aan tussen kunst en het vermaak dat theater vaak is – in tegenstelling tot literatuur of beeldende kunst. Wie Needcompany een beetje heeft gevolgd, weet dat deze gesuggereerde lichtheid maar één zijde van de medaille is, en dat de vitaliteit van het entertainment vaak ontstaat vanuit een zekere melancholie. Die zomeravond in 2005 zien we deze entrepreneurs vol overgave aan het werk. Ze zijn niet alleen acteur, danser of muzikant, maar ook gastheer of -vrouw.

       Wie een Needlapb bijwoont, treedt binnen in de mentale werkruimte van Jan Lauwers en zijn gezelschap. De toeschouwer weet vooraf niet wat hij te zien krijgt. Ook Jan Lauwers bepaalt slechts enkele dagen van tevoren het programma. ‘Nous allons vous utiliser’, zegt hij laconiek tegen de toeschouwers op de binnenplaats.

       De term Needlapb, die Jan Lauwers enkele jaren geleden introduceerde, verraadt meteen de kern van zijn dichotomie als mens en kunstenaar: enerzijds is er de behoefte aan het laboratorium (lab), aan het experiment, het opzoeken van grenzen, anderzijds is er het verlangen naar een schoot (lap), de nood aan intimiteit en bescherming. Het zijn twee drijfveren die als in een spagaat uit elkaar liggen, en de essentie bepalen van hoe Lauwers functioneert. ‘La douce violence de la Needcompany’, kopt Le Monde boven het verslag van de Needlapb in het Cloître des Célestins. Met deze typering wordt de paradoxale dynamiek tussen intimiteit en grensverlegging kernachtig samengevat.

 

‘No beauty there where human life is rare. Of nog: ‘Ver van de dingen en de mensen vond ik geen schoonheid.’ Deze zin, die Lauwers al jaren met zich meedraagt als een motto, verwerkte hij in 2002 tot een grootse sculptuur in een landschappelijke omgeving tijdens een tentoonstelling in Grimbergen, onder curatorschap van Luk Lambrecht. Hoe vaak hebben kunstenaars niet het omgekeerde beweerd? Schoonheid in de wereld vind je daar waar geen mensen zijn… Niet zo voor Jan Lauwers. He needs company. Als kunstenaar heeft hij het creëren met een groep mensen in het theater steeds afgewisseld met het creëren in de  eenzaamheid van zijn atelier, waar hij zich concentreert op zijn beeldend werk en op het schrijven van teksten.   Needcompany wordt niet gedefinieerd als een collectief,  maar als een aantal individuen die zich verzamelen rond materiaal dat Jan Lauwers aanbrengt. Needcompany kan worden vergeleken met Andy Warhols Factory, waar de verhouding tussen groep en individu voortdurend in beweging is. Warhol citerend stelt Jan Lauwers: ‘De mensen van Needcompany hangen niet rond mij, ik ben het die rond hen hangt. Dit zorgvuldig zelf gecreëerde sociale weefsel, deze micromaatschappij vormt Lauwers’ biotoop. In de Monoloog van de melancholische kunstenaar I zegt Ulrike: ‘Ik wilde niet alleen zijn. Ik haat alleen zijn. Alleen zijn is zinloos. Ik heb in mijn donkere cel maar één woord op de muur geschreven: samen. En dat was het laatste woord: samen.’

       Anderzijds is Lauwers’ parcours zeer individualistisch, zoekt hij grenzen op, verkent hij nieuwe media, denkt hij na over de spanning tussen ethiek en esthetiek, vernieuwing en virtuositeit, het banale en het sublieme, kunst en politiek. Waar ligt de noodzaak om een werk te maken en welk medium hanteert hij hiervoor? Meermaals zoekt hij de grenzen op van zijn eigen beeldende kracht, creëert hij ‘grensbeelden’ op het raakvlak tussen theater, film en beeldende kunst, stelt hij zijn virtuositeit in vraag om nieuw werk te laten ontstaan. ‘Ik ga ervan uit dat theater in essentie een even eenzaam werkproces is als beeldende kunst: een onderzoek gedaan door één persoon: de kunstenaar. Mezelf een regisseur noemen doet in die zin afbreuk aan waar ik werkelijk mee bezig ben.’

       Het werk van Jan Lauwers heeft steeds veel vragen opgeroepen over de verhouding tussen waarheid en leugen, werkelijkheid en de waarneming ervan, kijken en bekeken worden, schoonheid en engagement, taal en beeld. Lauwers’ werk is geen gesloten universum: het getuigt van een kritisch denken dat onophoudelijk vragen stelt over de positie van kunst in de samenleving, en over de samenleving tout court. Universele en tegelijk persoonlijke thema’s als liefde, verdriet, herinnering en dood, worden steeds gesitueerd in het grotere verhaal van de wereld waarin we leven.

 

Terug naar Needlapb X. Viviane De Muynck brengt, in zwart kostuum en vermomd met baard, Lauwers’ Monoloog van de melancholische kunstenaar II. L’homme morose. De sombere man. Terwijl ze ingetogen het portret schetst van een man die rust heeft gevonden in eenzaamheid, worden achter haar rug glazen met kleurige cocktails gevuld. De ijsblokjes klingelen, de platanen geuren, een meisje van tien in rode kimono slaat het gebeuren rustig gade van tussen twee kloosterzuilen. Toute imagination est nécessaire pour combattre la morosité.’ Een uitspraak die een wezenlijk melancholisch wereldbeeld verraadt, dat moet bevochten worden door een vitale reflex. Donkerte en somberheid worden gecounterd door volle energie en levenskracht. Het negatieve achter je laten is een politieke act, aldus Lauwers. ‘Onze westerse kunst en samenleving verdedigen kan alleen door positieve energie. Het theater moet zuurstof bieden. Het engagement zit in het kunstwerk zelf, zonder uitdrukkelijke boodschap.’ De indrukwekkende donkere kracht van Viviane De Muyncks scenische aanwezigheid wordt gevolgd door muziek en vrolijke energie. De cocktails zijn klaar. De performers begeven zich met volle dienbladen tussen de toeschouwers. De cocktailglazen worden geheven. Toast. Een feestelijk verbond tussen acteurs en publiek.

 

*

 

De Lobstershop. Zo heet de nieuwe productie van Jan Lauwers die een jaar later, in juli 2006, wordt gecreëerd in ditzelfde Cloître des Célestins. De heldere narrativiteit die we kennen uit De kamer van Isabella, een voorstelling over een vrouw met een opmerkelijke levensloop die de hele twintigste eeuw doorkruist, wordt in deze tekst vervangen door een complex spel met verhaallijnen. Het onuitroeibare optimisme van een figuur als Isabella wordt nu afgelost door een donkerder existentieel gevoel.

De persoonlijke tragedie van Axel, een professor in de genetica die in onduidelijke omstandigheden zijn zoon verliest en hem koppig probeert te vervangen door een kloon, wordt vlijmscherp neergezet tegen de achtergrond van een wereld op haar kookpunt. Een wereld van bootvluchtelingen, criminelen, illegalen, de grenzen van de beschaving en discussies over de nieuwe mens trekken in snel tempo voorbij. Verhalen tekenen zich af waarin personages worstelen of juist geamuseerd spelen met de razendsnelle evoluties om zich heen: gentechnologie, migratiestromen, de botsing van religies, geweld. In een wervelwind aan snelle dialogen en vaak groteske reflecties wordt de eenentwintigste eeuw voorgesteld als een tijdsgewricht in brand, in verbrokkeling en ontbinding, als een biotoop voor irrationele angst en eindeloze verveling en een wildgroei van wanhoopsdaden.

       Via Axels tragedie stelt Jan Lauwers de vraag naar menselijkheid en ontmenselijking. De niet-aflatende drang om de mens te verbeteren countert hij door een pleidooi voor de schoonheid van het imperfecte en het onvoorspelbare, de schoonheid van de innerlijke wereld waarin het verlangen ondanks alles de grootste drijfveer blijft. De zwaarte van maatschappelijke vraagstukken, van identiteitsverlies, doodsangst en persoonlijk verdriet wordt verlicht door humor, dans, muziek, lust for life. Vitaliteit op het scherp van de snede, als tegengewicht, als een politieke act. In De kamer van Isabella besloten de acteurs zingend : ‘We go on.’ Tegen de donkere achtergrond van De Lobstershop lijken ze dit alleen nog maar sterker te willen affirmeren, met meer overtuiging dan ooit: ‘We have to go on.’ We naderen hier het fameuze punt van Becketts uitspraak uit Malone dies: ‘I can’t go on, I’ll go on.’

 

Het werk van Jan Lauwers getuigt van rusteloosheid. Hij schakelt over van het ene medium naar het andere, van de ene energiebron naar de andere, van het gezamenlijke naar het individuele, van beeld naar tekst, van interactie naar confrontatie met zichzelf.

       ‘Ik ben geen theatermaker die zich met beeldende kunst bezighoudt, maar een kunstenaar die verschillende media hanteert. Wij zijn nu in een tijd waarin de kunstenaar – in tegenstelling tot wat de maatschappij dicteert – zich niet meer hoeft te specialiseren en in één vakgebied dient te blijven. “Specialisatie leidt tot degeneratie” is trouwens een natuurwet. Da Vinci hanteerde ook verschillende media. Dit is tegelijkertijd ook mijn frustratie, daar ik me erg bewust ben van het feit dat één medium, zoals schilderen, eigenlijk alle tijd verdient en opeist. Ik ben een veel te onrustig mens.

       Elk medium heeft zijn eigen wetten net zoals elke kunstenaar andere wetten heeft dan andere kunstenaars. Ik tracht die mediumwetten te respecteren door over het medium, of beter de materie zelf te praten. Als ik schilder met olieverf op lijnwaad, praat ik over olieverf en lijnwaad. Dat is ook de reden waarom men mijn theaterwerk beeldend noemt: omdat ik over het medium zelf vragen stel en bijgevolg ook over ruimte, tijd, architectuur etc.’

       De rusteloosheid van de individuele kunstenaar wordt in De Lobstershop verruimd tot een collectieve state of mind. Er is geen rust meer in het denken sinds de moderniteit waarin elk onderworpen-zijn aan autoriteit is weggevallen. De vrijheid die hierdoor ontstaat noopt tot een parcours zonder conclusies, tot een eindeloos verblijf in de vrije ruimte. Die vrije ruimte wordt ten volle bespeeld: terwijl De kamer van Isabella zowel inhoudelijk als formeel een duidelijk centrum had van waaruit alles vertrok en waarnaar alles terugkeerde, is in De Lobstershop het centrum weggegomd. Verhalen botsen tegen elkaar op en verjagen elkaar, de subtekst krijgt een even groot belang als de tekst zelf, het scènebeeld wordt bepaald door off-centres, door triggers vanuit verschillende disciplines tegelijk. De blik van de toeschouwer kan nooit alles tegelijk vatten. Samenzang en muziek zijn de grote bindende factoren in deze veelheid aan zintuiglijke ervaringen.

       Axel en de personages die hem omringen zijn moe. Het richtingloze maakt melancholisch. Wat komt er in de plaats van het verlies? Lauwers’ personages zijn moe zichzelf te zijn, de kern van de melancholische ervaring. ‘Nous sommes libres, abandonnés’, schreef Samuel Beckett. In De Lobstershop wordt een samenleving geëvoceerd die lijdt aan gedeelde melancholie. De vrijheid, het grenzeloze kan elk moment omslaan in catastrofe. 

       De personages in Lauwers’ Monologen van de melancholische kunstenaar delen dit gevoel van verlies. Op zoek naar een begrijpen van de wereld waarin ze leven, koesteren ze een verlangen naar minder, naar eenvoud, naar wat beheersbaar is, naar beelden ontdaan van meningen, anekdotes zonder betekenis, momenten zonder doel.

       In de eerste monoloog is Ulrike – genoemd naar de Duitse terroriste Ulrike Meinhof – op zoek naar een laatste moment van helderheid voor de catastrofe, voor ze zichzelf opblaast in een supermarkt. Die helderheid probeert ze te vatten in beelden. ‘Hebben jullie dat ook soms dat je het plots weet dat je het eindelijk begrijpt en dat je tegen alles bent, dat je het er niet mee eens bent, en dat alles zo helder is dat je het niet begrijpt dat ze je niet begrijpen en dat je uitroept maar zie je dat dan niet zie dan toch hier […] en je beseft dat het heldere moment dat je even bespeurde het ultieme heldere inzicht dat je in al je leden voelde zinderen een minder-dan-niks-moment was zonder enige betekenis hebben jullie dat ook?’

       In de tweede monoloog is een sombere man aan het woord die berust in zijn onbegrepen zijn, maar die zijn rebelse houding nooit zal opgeven. Zoals de kunstenaar, die zich als een kameleon voortdurend herdefinieert, al dan niet zwicht voor het compromis, in een wereld zonder duidelijke referentiepunten, zonder God, koningen en opdrachtgevers. De kunstenaar is in het hedendaagse permanent op zoek naar een raison d’être. Het antwoord van Jan Lauwers is duidelijk: ‘schoonheid maken’. En dat is minder romantisch dan het klinkt. Want de schoonheid heeft altijd haken en ogen in zijn werk. Ze doet pijn. Er zijn krassen op de ziel. Des te meer sinds het persoonlijke is toegenomen in zijn recente werk, op een ongegeneerde en vrijgevige manier. De dood van zijn vader als aanleiding tot het schrijven van De kamer van Isabella. De radeloosheid bij het potentiële verlies van een geliefde in De Lobstershop. De weemoed van de melancholische kunstenaar. Maar ook de tomeloze energie, de lach, en het geweld van de creatie.

‘Want we zouden het beter kunnen doen en we zouden onze ogen kunnen sluiten en ons verlangen naar een eeuwigdurende paradijselijke toestand ook niét kunnen koesteren en we zouden kunnen stellen dat het enige echte ware het leven zelf is maar we doen dat niet omdat we bang zijn’ (Ulrike). Het theater, het atelier, de schrijftafel als plekken om te reflecteren over de diepste drijfveren van de mens en zijn onvolkomenheid.

 

*

 

Wat volgt is een mogelijk parcours doorheen het werk van Jan Lauwers. Ook al zijn er nog andere wegen mogelijk, toch is wat hier wordt samengebracht verre van willekeurig. Het is de recentst mogelijke momentopname van een aantal denksporen die elkaar raken.

       Jan Lauwers publiceert hier zijn drie monologen van de melancholische kunstenaar: het zijn teksten die eerder, elk in een verschillende context, werden geënsceneerd: No Comment (2002), Needlapb X (2005) en Le Désir (1996). Het feit dat deze drie verspreide teksten worden samengebracht onder één veelbetekenende titel, maakt hen tot een nieuw autonoom werk. Een verzameling van Jan Lauwers’ teksten verschijnt in de loop van 2007 in boekvorm bij Meulenhoff | Manteau.

Een tweede primeur: Jan Lauwers publiceert voor het eerst vijftien afbeeldingen van tekeningen in de vorm van polaroidfoto’s. Meteen wordt de status van het beeld in vraag gesteld en ontstaat er een reflectie op origineel en reproductie, werkelijkheid en representatie. De polaroids maken deel uit van ’t  Paradijs van de kameel Leon, een serie werken van 125 cm bij 125 cm, die Jan Lauwers binnenkort toont in zijn eerste solotentoonstelling (in de Brusselse BOZAR, maart-mei 2007). Een persoonlijke notitie van de kunstenaar begeleidt deze publicatie.

       Dit materiaal wordt gepresenteerd samen met enkele reflecterende teksten van auteurs wier denksporen communiceren met die van Jan Lauwers: Jan Grosfeld, curator en beeldend kunstenaar, volgt het werk van Jan Lauwers sinds de eerste dag. Hij schreef een tekst waarin hij de drijfveren blootlegt van de kunstenaar die hem al die jaren zo dicht op de huid zit. Dramaturg Erwin Jans schreef de voorbije jaren diepgaande essays over Lauwers’ theaterwerk. In deze tekst concentreert hij zich op de waarde en de betekenis van Needcompany en bij uitbreiding het theater als gemeenschap. Auteur Johan de Boose keek naar De kamer van Isabella en was geraakt door de hommage aan de overleden vader, wiens uitgebreide verzameling etnografische objecten het scènebeeld bepalen. Hij schreef een persoonlijke brief aan Jan Lauwers met reflecties op de voorstelling en op zijn eigen vader-collectioneur, die recent overleed. Curator Luk Lambrecht ten slotte was na Jan Grosfeld de eerste collega die kennismaakte met Lauwers’ beeldend werk. Hij focust op de beeldende kracht van Lauwers’ theatrale kunst en plaatst zijn beeldend werk in het bredere perspectief van de hedendaagse kunst.