Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Het landschap bloedt en de dieren

Verschenen in: Jaap en de bonenstaak
Auteur: Pol Hoste


Het landschap bloedt en de dieren. De sluizen roesten. Onderwerp, werkwoord, gezegde zoals in (zingt:) ‘op enen boom een koehoekoek’. Tien keer uw taal voor straf. Jaap, Tijs, Blok. Wij konden ons kiezen: appelsienen, negers en met Nieuwjaar een baard van de koning. Geen hemel na de boonranken. Vuurkruisers, Noord-Nederlandse calvinisten, onze helden, watergeuzen. Wisten wij veel wat Portugese Joden zijn. Sefarden? Bojaren? Pruisen, Poolse vorsten, piano’s Maene. Begrijpt de gewone man de gewone man, of alleen het volstrekt onbegrijpelijke? Alleen het volstrekt onbegrijpelijke.

Als een aprilvis glijdt de maansikkel over de Leie richting Schloss Anvers, een Spaans kasteel dat zijn formulieren op onze Letteren gericht houdt. Een vrijplaats, de lyriek? Boekhouding, ja! Controle, onderwerping, domesticering van de creativiteit.
- Formez vos bataillons!
       Si ghinck al voor haeren vader staan. He pretended to be Peter
       Stuyvesant. Opmerkelijk is de strakke beheersching der stof en haar
       stileering. Kennen. Begeven wij ons thans van Baarchoem naar
       Giesbaren, lezer. Wat vindt ge van volgend tafereel? Verwijder,
       treffend, geen mening. Een op de vijf maal bezocht.

Kurieuzeneuze schrijft niet. Onze rosten. Hij zit in zijn kot. Je, men, je, men, die ‘men’ altoos, dat jouwen. Die letterlijke gender correctness! Ge zijt in de fleur van uw leven en uw ma schrijft gedichten. Komt dat tegen. Ge woont met haar in één van de huizekens langs de Dender waar het stinkt naar armoe, Amylum, mout en vette kolen. Komt dat tegen. Maar wel wreed schone schoenwinkels met Ambiorixen. En bakkers, hete mokkels, smeltende ijzerdraad, pinnekens kussen can’t geen quaet! O la la!

Excuseer, dat ik u onderbreek, ik denk aan iets. Hij denkt aan iets. Ik zat eens met ons Geertrui in Aalst.
- ’t Is nie waar!
- Batoet, batoet!
       Lap, ons Geertrui toch wel naar Lokeren, zekers. Ui! Ui! Zo dus, ge kunt peinzen. (Contra-alt:) ‘Wat heb ik u misdreven? Ja ’daan?’
        ‘Joyce is geen slechte schrijver, maar Dublin is er te veel aan.’
- Oesje!
        ‘Take the money and run’, Trui said.

Gauw weer naar Q. Rieuzeneuze. De laatste boerentenen opgegeten. Wat nu geblazen? Een gat gelijk een peer, zijn ma. Talent? Een jong weefken, het lakt zijn nagels en grient. Of het van dageraad tot avond. Een aposiopesis, door Graf Karl van haar laatste gans beroofd, gequetst heur hert, zij pikt haar lever uit en bezigt zwarte schoenblink voor haar wenkbrauwen. Zo zot als een achterdeur. Altijd verliefd, dat schaap.
        ‘Ma, wat nu gedaan, ja ’daan?’ Lyriek, een Duitse neiging. ‘Al ons boereneten op.’ Het moet boerentenen zijn.
        ‘’k En zoe ’t nie wete, manneken.’ (Zie Van Rysselberghe & Rombaut. Zie echter ook Van Dishoeck, hoe ge het draait of keert, Tromp-Dyserinck of niet.)
        ‘Nieje?’
        ‘Nienok, neng’k.’
        ‘Awel, ik heb een gedacht.’ Halt, hij heeft een gedacht! ‘Sa, met de hemden van onze pa een leer (spreekt) gebouwd, de mouwen gesteven, de cols bestegen, het zwerk beklommen! Lucht en gravitatie getrotseerd! Van ph, fffff, zijn tanden laten zien!’ Zo komt hij uit zijn kot, Kurieuzeneuze, een zoetgevooisde Cerberus, een pluis – daar moet een gewone man al Grieks-Latijnse voor gedaan hebben – des avonds bij een keers wier vlam maar pover was. Voor zijn vertrek bindt hij eerst nog (eerst nog) secuur het laatste haar van het kaalgeplukte haasje Osy op een schrijfstaafje, doopt het in een kwiklegering – zie ’t feutreert! – in het bier. De reuheus is hier!
        ‘Wat zegt gij, mijne jongen? Phucht? Het is lucht.’ Kere weerom, reuzegom.
Een hete minestrone zou haar goed doen. O, broze spraakkunst van het dagelijks bestaan, selder en tomaan! Ge ademt in wat men denkt over u … en uw leven is gepasseerd.
        ‘Nee, ma! Stomme kalle! Het is met een ph van pp (perfume) met ha tot fff! Welaan dan, Slot Anvers genomen, onze ganzen in rechte gevorderd, de vos, de passie, onze schapen. Waarom, peinst gij, heb ik die zware cursus herder gevolgd in Oostenrijk mitsgaders een jaar kustvaart op de Zeezeilschool? Lach, eendje! Toon uw tandjes! Leg!’ Zo spreekt de behendige knaap en in eendracht niet te breken begeeft hij zich op weg naar Schloss Anvers.

Ontelbaar zonder olifanten is de barre tocht door het zwaar gerepte Baarchoemgebergte. Duister, de leegstand in Cogels. Uitgeput bereikt hij – dat moet de gewone man verstaan – de motte Capiaumont waar middelerwijl Graf Karl zich te buiten gaat aan een vlinderslachting. Voor ieder dier geldt slechts één wet naar de letter: de botte bijl. Geen verhaal bij Querido? Vergeet het! Een verheel! Al wie daar zegt: ‘De reus.’ Hij komt. Ochtendkapsel, blauwe leds, ogen als pas gezwommen, jij kent dat wel, zijn neub bewtobd. Woordverklaring: zijn neus, verstopt. Sukkelt al jaren met zijn lijf en turnt en turnt en turnt.

Op Capiaumont troepen enkele fiscalisten samen. De graslanden op de genivelleerde gronden zijn veel soortenarmer, maar op deze droge rug treft men nog cultuurpopulieren aan. Onder de aanwezigen Miss Cacklefur van de stichting Stichting voor Stichtingen, Fräulein Steckmann Find Mie en Geheimrat Weiner von Kult, een goed ingelogde zoon des vaders onder Vlamingen, des geestes amen en altijd al zijn punten voor dagelijks werk.
       Een gedresseerde struisvogel brengt drankjes rond, schudt de geslachte smetterlingen van haar kromme poten.
- Het zijn bottevijvers.
        ‘Heidi! Komm hervor!’ roept Graf Karl tot zijn struis. Zij steekt haar kop in zijn zand. ‘Mm, mm’, kucht Grab Karli. Liever beminde hij een brood op rolschaatsen dan gedichten op sterk water. Miss Cacklefur but smiles. She is a smily.
        ‘Madonna’, zegt zij, ‘is voor mij de grootste schrijfster’ en allen begrijpen haar. Belgian chocolate in Asia. We understand very well.

Kurieuzeneuze verliest zijn tijd niet. Het slot beklommen, onderwerp verzwegen, zich verborgen in gelaagd verlichte ramen. Sorry, maar we moeten er even uit voor een streepje reclame.
       Spiedend bespiedt Q. Rieux het Vlaamse gedoe, sprekt dan moar Fraans, de glazen klinken. Met een kl. Madame Michael, zo zat als een kanon, gooit met Amerikaanse pocketjes. Heer Halewijn slijt een liedekijn, het is kermis. Beter volgt men vanaf hier, die ‘men’ altijd, volgje, volgje, alles op iets met dot kom of domkop punt bee ee.

‘Waar bestu bleven?’ roept zijn mama uit, als Kurieuzeneuze dagen later in het weduwrijke stulpje aan de zoete Dender verschijnt, geflankeerd door een uil met uitgelezen ganzenveren en een ooi dat van francijn bevalt. Prêt-à-porter, het draagt een jasje. In haar knoopsgat steekt een pijlinktvis. Verrukt, verrukt, verrukt zijn zoon en moeder! Zij vieren feest, verbranden de gesteven hemden. Sa, snijd een boterham, de reuheus is gram. Op het menu, een haikuhaasje uit de diepvries op een bedje van lyriek. Volgt een spel petanque. Even richten moeder en zoon hun blikken opwaarts … en zie ginds boven de Dender en de loofwouden van Herman Teirlinck drijft Schloss Anvers!
       Intussen zet Graf Karl zijn gedonder voort. Bliksems schichten. De hoge raad der kunsten zwijgt, een goocheltruc. Geen geld te kort. Ingelogd wordt hier beslist, brutaal geprint gesproken. Fräulein Steckmann Find Mie singt für Saul und Koen Fillet. De dichters boeren.
- En tonses?

De ijzen smelten. Afkalving volgt, de tijd gekomen, retranchement. Sneeuwwitje en ik, wij zoeken grond en vis, richten onze schreden naar de Galgenberg. Het is er druk. Sardienen aan het spit, letters op aarde, komma’s in de lucht, de r van pol h en doodop van het schaterlachen, de dobbelende beulen.
        ‘Sneeuw’, zeg ik want anders duurt mijn moeilijke spreken al te lang, wordt het veel te Tipperary. ‘Ik mag een boon zijn als deze ode aan de kaak gesteld …’
        ‘Kalf’, she replies. Wij zoeken voort. Luchtschelpdieren, onderwaterhazen, boomkikkers versteend van armoede, geen rooie duit, geen vliegje kwaad, harpoenen, transparant carnaat.
        ‘Dra zal het Allerzielen zijn’, fluistert Sneeuw.
        ‘Dan wordt alles … oneindig zacht en zilver, heb ik horen zeggen.’ De strijd, kameraad? IJzertoren, boekentoren, vaart der volkeren bedevaart. De wind steekt op. Thans valt het doek.

Summary
Kurieuzeneuze’s mother is a poet. Graf Karl has killed her husband and stolen her geese. She hasn’t got any feathers left and can’t write. Her son, Kurieuzeneuze, who in reality is J.J. Beansteak, decides to climb Schloss Anvers’ mountains and bring back the geese. He returns with an owl, a sheep and what we call in our language ‘een inktvis’. In Schloss Anvers, where Graf Karl has organized a party, the show goes on. Everyone is happy and so is the writer of this marvellous tale. Accompanied by Snowwhite he goes to Golgotha.