Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: https://www.dwb.be

Brief aan Pol Hoste

Verschenen in: Jaap en de bonenstaak


Mdönnh, 14 Slachtmaand 2006


Goede Pol,

Het landschap bloedt, meldde je ons monter vanuit zoals aan je polemieke toon zich laat onderkennen onverkwikkelijke landouwen, waaruit wellicht naderhand je voortschrijding naar de schedelberg een verheffing teweeg heeft kunnen brengen, een hemelen richting transparant carnaat – ik ben vol adoratie jegens je verbale plastiek –; welnu, hier te mijnent zijn reeds alom de wilde zwijnen ten prooi gevallen aan geschiet, en op voorbumpers triomfant vervoerd, ruggelings, de pootjes als, welzeker, als bonenstaakjes in de hoogte, en dat terwijl de laatste lommers staan te branden, gloeiende vaandragers van ons aller ziel de zon.
       Begrijp ik je goed, moeten wij ergens naartoe? Nog weer ergens anders heen? Geruchten vernam ik tevens over een schat, rijkdom om te veroveren en dan als een haas ervandoor. De schat, dat weet je toch schat, rust in het oog van de beholder en niet in de keeper z’n.
       En hogerop is niet waarheen ik taal. Herwaarts in de tijden, toen ik nog klauterkleuter was, trok ik me gaarne op naar de kruinen van gangbare groeisels. Soms hing daar bovendien en o als eieren zo groot smakelijk dan wel al gistend ooft, vol tierig kronkelende pikanterieën die ik de kop afbeet. Peren-, pruimen-, appelmoes vol proteïnen en overjarige kennis van goed en kwaad. Maar ik dwaal af, in de bonen als altijd, te midden van een algehele wereldvoedselproblematiek die zozeer ten hemel schreit dat het gotspe zou zijn te doen alsof ik hier en nu iets in de melk te brokken had. Even zo min als je (men, generaliter) dag en nacht aan één stuk door het mirakel kan uitdragen en het vormloze verdedigen tegen de vorm, de verstikking en verkreukeling. Nu al, krabbelend aan dit kattebelletje aan jou, voel ik in mijn water dat ik stijl beoefen, vorm bedrijf, jouw behagen ter wille omdat jij evenzeer dat vooropstelt, ten strijde tijgende. Prik uzelf eens lek, Polleke, ik doe dat ook, tot welbevinden. Eens in de week voldoet.
       Maar om terug te vinden naar (dat is een heel mooi allemandisme!) het sprookje: ik ben te hoog gestegen in bestaansjaren, te ver heen in betraande jaren, brekende, in zonlicht door zilt bespetterde decenniën, om aan sproken te geloven. Ik wandel, ingedaald, door mijn gewand, en ’t is daar zoals je zegde: transparant incarnaat. De windingen rijzen te berge doordat onder en boven, achter en voor, er in ontstentenis zijn. Als toegetredene tot de kloosterlijke orde van mijzelf mag ik je wel toevertrouwen, m’n hartlap, dat ik uitgestreden de surroundings heb dichtgeklapt. De loorgang van de waerelt waar platitudes inslaan als waren ze Zeus’ bliksemslingeringen, waar domheid en geweld strijden om de laatste eer, waar nog louter knekelhuisconstructies verrijzen; ik heb me ervoor toegedaan. Een goed gekleed fantoom, de mededingingsautoriteit, struint er de kelders af om nog wat laatste bodembedekkers te nekken, intussen mag, bijvoorbeeld, het vertalend gepeupel elkaar onderling de strot afbijten in de arena van de bloedeerlijke concurrentie. Dat alles is in volle gang van ondergang en het zij zo – ik ben, hoezeer ook wenend om bonen in de krop gebroken, haaks op de gang geboren en haaks zal ik heengaan. Dus hoezo omhoog, Pol, wilt ge me hosten? Heb je nog die mooie krullen op je hoofd, en elders?
       Er is, heeft men bericht, een onontkoombare deadline; zo mijn brief aan u niet tijdig en goed gezegeld wordt gepost, zal ik overhoop geschoten en ingeblikt. Bras voor kat & hond, uw huisdier gaat ervan kwispelen als een helicoptère. Stijgend gedierte verduisterde, wentelwiekend, het Europese zwerk. Is dat de knoop, moet ik mij offeren aan slacht middels de zonde der nalatigheid, om een schaar van schoot- en waakbroed een woud van heffing te doen scheppen? Hier is mijn lichaam, hap slik weg ende de geest rees in de dieren want zalig zijn de eraan armen.
       Tegen mijn colline (soms passeer ik het raam van de navel en sla een blik, op, naar, in de natuur) staat hier een ladder voorheen boom, hij zal zich herinneren hoe zelf hij klom, hij draagt als bladerdak de verre schapenwolken in het onoorbaar blauwe blauw. Het wemelt, in Mdönnh, van levende en dode staken, die vaak van een lift, een tiller, zijn voorzien. Maar als ik de hemel kan aanschouwen hoef ik toch niet stante pede daar naartoe? Laat mij toch modderen in eigen buik, kind Hoste, met uw dromen hoe er iets te redden valt dan wel te vinden. Zo ik me al zou willen vertwijgen, krullenbol, dan zou ik teder uw weke aposiopesis krauwelen met mijn eeltige reticentie. Boomkleven of boomkruipen? Opwassend tegen elkaar zonder besef, om dan, op het moment van vallen, vleugels uit te slaan. Voor een zachte landing. Maar ik dwaal alwederom af, schrijvende immers met de tenen. In het zand. De aarde heeft in een moment van onbedachtzaamheid haar schoot ontsloten, eens, en sprookjes toegedragen aan de zon, allerwegen schoot levends uit haar bast omhoog, zijn wij er immers geen deel van, domme dwergen die denken dat Sneeuwwitje nog komt en nooit genoeg krijgen van diamanten, suiker, steenkool, blauwe bonen, witte bonen, spek en bonen, makke bonen, magnum bonum. Wat moet ik je doen, Polleke? Laat me toch. Als je me nog eens de boom injaagt, weet dan dat ik, ten top gevoerd, zal zien bevederd raken mijn grijpstaken, wieken zal wassen voelen die malen in de lucht, die alle palen knotten tot keurige stoppels op de aardbaard, die de planeet vergruizen tot stof en room. Want een dichter is een adelaar die mus wou zijn en zwevend huist hij in zichzelf en alle mensen zullen dichters zijn en klimmen zonder treden, gevonden de schat, ieder zijn gat in de lucht.
       Je ziet het, jong, ik draai eromheen, volg mijn windingen binnenwaarts en weiger elke richting, inrichting, uitrichting, africhting, verrichting, oprichting, neerrichting, herrichting, aanrichting, wees kortom gegroet, m’n lieve karbonaad, en ga zo voort uws weegs dan komen we eens waar we eens waren, die terra incognita waar we ons wachten al zo lang. Vale!

Aabee