Op deze pagina's is het archief van DW B terug te vinden. Voor de actuele website ga naar: http://www.dwb.be

‘Je prends mon bien où je le trouve’. Tussen sampling en plagiaat

Verschenen in: Terra recognita

Verandert de digitale cultuur ons idee over wat een auteur is? Wordt het schrijverschap verrijkt of net op de proef gesteld door de brede toegankelijkheid van digitale bronnen? Of doet de hippe schrijver vaak niet veel meer dan enkele fraaie potjes omkieperen om daar voor eigen gebruik de meest blinkende kralen uit te halen? Die vragen zijn pertinent na het tumult omtrent het plagiaat van de jonge Duitse schrijfster Helene Hegemann. Het toont in ieder geval aan hoe uitgehold het negentiende-eeuwse, romantische auteursbegrip wel is. En ook al is iedereen het erover eens dat een auteur vaak zijn inspiratie haalt uit teksten van andere scribenten, toch heerst er – gelukkig – nog steeds overeenstemming over waar de literaire referentie eindigt en letterdiefstal begint.

Een auteur is volgens de Nederlandstalige Wikipedia ‘de oorspronkelijke geestelijke eigenaar van een creatief werk’. De woorden ‘oorspronkelijk’ en ‘eigenaar’ zijn hier natuurlijk van aanzienlijk belang. Ook nogal wat juristen vinden die ‘oorspronkelijkheid’ doorslaggevend. Maar intussen is de auteur al talloze malen doodverklaard en werd de lezer wel eens uitgeroepen tot de ware scheppende kracht van een boek. In 1968 schreef Roland Barthes het geruchtmakende essay La mort de l’auteur, waarin hij stelde dat de auteur zijn plaats moet afstaan aan de lezer, die zelf betekenissen toekent aan de tekst, ja, de tekst voor zichzelf herschrijft. Of zoals het in de beroemde en vaak geciteerde frase heet: ‘La naissance du lecteur doit se payer de la mort de l’auteur.’ De auteur verliest in deze invloedrijke poststructuralistische visie als het ware de controle over zijn auteursintenties en over zijn werk. De reikwijdte van wat de schrijver nu eigenlijk precies doet aan die rommelige schrijftafel raakte op meerdere vlakken aan erosie onderhevig. En ook de nieuwe media zetten tegenwoordig het metier op losse schroeven.
       Maar laat ons even ruim vijf eeuwen teruggaan in de tijd. Het met de hand overschrijven van teksten – waarbij al dan niet bewust fouten of verbeteringen werden aangebracht – vloeide over in de mogelijkheid die de drukkunst op massale reproductie gaf. De door zijn vorming en inspiratie aangedreven auteur als autonome schepper kreeg een naam, vaak in tegenstelling tot de (pre)middeleeuwse scheppers die zichzelf eerder wegcijferden voor het hogere wezen en het algemene belang. De status die de schrijverstekst in het gedrukte boek kreeg, kon maar moeilijk worden aangetast. Op slag steeg ook de renommee van de schrijver zelf. Vanaf de achttiende en negentiende eeuw werd de creativiteit van de auteur meer en meer gezien als een veruitwendiging van de kunstenaarsinspiratie. De ‘oorspronkelijke geestelijke eigenaar van een creatief werk’ kreeg in ruil voor het zweet zijns aanschijns erkenning, roem én gebruikers: bestaansrecht met andere woorden.
       Met de doorbraak van de oorspronkelijke, gedrukte literatuur kwam ook het plagiaat uitdrukkelijker om de hoek kijken, bijna onvermijdelijk als keerzijde van de medaille. De geschiedenis van de letterdieverij is grillig en boeiend, vol bokkensprongen en geheime nissen. Le Monde-criticus Pierre Lepape vatte het in 1997 als volgt lapidair samen: ‘Le plagiaire serait un lecteur qui se prend pour un écrivain. Ou qui voudrait faire croire qu’il en est un.’ Toch schaadt een beschuldiging van plagiaat de reputatie niet altijd in hoge mate. Elke auteur van enige envergure wordt er door zijn hoge zichtbaarheid wel eens mee geconfronteerd.

De literaire justitie
Recent werd Harry Potter-schrijfster J.K. Rowling geplaagd door plagiaataantijgingen, net als Dan Brown, de auteur van The Da Vinci Code en The Lost Symbol. Maar ook Adriaan van Dis kreeg ermee te maken in 1992, naar aanleiding van Het beloofde land, én Jan Siebelink. Veel eerder werd ook Paul Celan, Apollinaire, Laurence Sterne, Samuel Taylor Coleridge, Oscar Wilde en talloze andere illustere canonschrijvers letterdieverij aangewreven. Nobelprijswinnaars als Pablo Neruda of Camilo José Cela ontkwamen er evenmin aan.
       Ongezien en onorthodox was onlangs het weer opgelaaide plagiaatdispuut tussen de twee Franse bestsellerauteurs Marie Darrieussecq en Camille Laurens. Laurens, bekend voor fijnzinnige romans over de liefde, beschuldigde Darrieussecq er in 2007 van dat ze in haar roman Tom est mort ‘psychisch plagiaat’ had gepleegd op haar roman Philippe (1995), waarin zij de dood van haar pasgeboren zoontje had geëvoceerd. Darrieussecqs boek handelde eveneens over de rouw na het overlijden van een zoon, maar was pure fictie en allerminst autobiografisch. ‘Terwijl ik Tom est mort las, had ik het gevoel dat het boek was geschreven in mijn kamer, met de kont op mijn stoel, zich wentelend in mijn bed van verdriet’, zo raasde Laurens. ‘Marie Darrieussecq heeft zichzelf bij mij uitgenodigd, als een kraker.’ De verbouwereerde Darrieussecq sprak van ‘een hatelijke aanval, bedoeld om haar als schrijver te doden’. Mocht een romancière zich de dood van een kind dan niet verbeelden?
       Het bleef gisten tussen de kemphanen. Want tot ieders verbazing publiceerde Darrieussecq in oktober 2009 Rapport de police. Accusations de plagiat et autres modes de surveillance de la fiction, een traktaat over plagiaat, waarmee ze ‘haar schrijverseer wilde herstellen’. Daarin herhaalde ze dat Laurens haar met de aantijging van plagiaat ‘symbolisch wilde vermoorden’. Volgens Darrieussecq zit achter elke plagiaatclaim trouwens ‘de wens om geplagieerd te worden’. In Rapport de police borstelt ze met voetnoten en tal van welgekozen voorbeelden een messcherpe geschiedenis van het literaire plagiaat. Ze is getroffen door de bezetenheid van sommige literaire onderzoekers om plagiaat te betrappen en te knevelen. ‘Le chasseur de plagiaires est mû par un fantasme: celui de la justice littéraire’, schrijft ze wrang.
       Voortdurend komt daarbij natuurlijk ook het begrip ‘intertekstualiteit’ om de hoek kijken, het verschijnsel waarbij de teksten via een stelsel van referenties naar elkaar verwijzen, door de structuralisten geïntroduceerd en wijd en zijd geanalyseerd. Darrieussecq wijst erop dat ze soms literaire citaten (van bijvoorbeeld Nietzsche en Nerval) in haar romans binnensmokkelde om te ‘testen’ of de critici haar boeken wel aandachtig lazen of als ‘spel met referenties’.
       Neem bijvoorbeeld ook de discussie die in 1997 losbrak over Last Orders van Graham Swift. Critici beweerden dat deze roman wel erg goed leek op As I Lay Dying van William Faulkner. Swift zei dat zijn boek een ‘echo’ was van dat van Faulkner. Een intertekstuele ‘echo’ – zie ook het boeiende boek Echo’s echo’s van Paul Claus – of ‘letterdieverij’, de grens zal allicht wel dun zijn en vatbaar voor interpretatie. Het Engelse woord ‘plagiarism’ werd overigens gemunt ten tijde van Shakespeare, die nog bij leven werd beschuldigd van het niet zo nauw nemen met de regels van het oorspronkelijke auteurschap. En nog steeds wordt er in academies met getrokken zwaarden geredetwist over wie welk toneelstuk nu schreef, en zelfs of de Bard ooit bestáán heeft.
       Niet iedereen tilt zo zwaar aan de kwestie van het auteurschap: ‘Plagiaat lijkt mij een esthetische categorie, meer dan een ethische of een juridische’, zo stelde Rob Schouten in zijn artikel ‘Kunstroof als literaire hebbelijkheid’ in Trouw (27 augustus 1992). ‘Wie een paar slappe regels van een ander overschrijft en ze met een kleine chirurgische ingreep tot grote schoonheid weet om te bouwen, verdient het voordeel van de twijfel. Wie iets van grote schoonheid tot zijn eigen armzalige niveau weet te verlagen, verdient straf.’ Schouten citeert een saillante anekdote: ‘De Russische romancier Toergenjew liep op feestjes rond met een aantekenboekje waarin hij uitspraken van omstanders opschreef die hij vervolgens schaamteloos in zijn boeken verwerkte. Niemand beticht hem van diefstal.’ En inderdaad, wel meer schrijvers luistervinken bij de werkelijkheid. Ze zouden wel gek zijn om het niet te doen.

Het meisje van het seizoen
Hoe dan ook, plagiaatbeschuldigingen zetten telkens weer de literaire zenuwen op scherp. Recent werd alweer een boeiend en geëxalteerd nieuw hoofdstuk geschreven, dat onrechtstreeks vooral ook de volatiele rol van de auteur in het digitale tijdperk aan de orde stelt. De achttienjarige Helene Hegemann schoot een paar maanden geleden met haar enerverende debuutroman Axolotl Roadkill als een speer naar de top van de Duitse bestsellerlijsten. Ook de serieuze kritiek ging voor de bijl. De pompeuze Duitse literaire bijlagen staken elkaar de loef af om deze pittige coming of age-roman te loven. Ze prezen het taalgebruik en de stilistische durf van Hegemann. Maar al spoedig bleek dat Hegemann flink wat passages gejat had.
       Axolotl Roadkill is een verbrokkelde roman over het zestienjarige meisje Mifti dat zich na de dood van haar moeder escapistisch onderdompelt in de hippe Berlijnse muziek- en drugsscene. Het ‘arrogante rotkind’ gaf zich over aan instantseks en dubde over haar biseksualiteit. De speculaties over het autobiografische gehalte van de tekst tierden welig. Had Duitsland na Charlotte Roche een nieuwe jonge literaire heldin? Hegemanns nominatie voor de prestigieuze Leipziger Buchpreis zwengelde de hype nog aan. De dochter van de bekende toneelschrijver Carl Hegemann had zich trouwens eerder al laten opmerken met een toneelstuk en een kortfilm. In alle opzichten leek het hippieachtige meisje een waar wonderkind.
       De succesroes van Hegemann werd snel en bruusk doorgeprikt. Het cultuurblog Die Gefühlskonserve ontdekte dat Hegemann nogal kwistig passages had geplukt uit de roman Strobo van blogster Airen. Het bij een kleine uitgeverij verschenen boek had, net als bij Hegemann, de Berlijnse subcultuur tot onderwerp. Begrippen als ‘technoplasticiteit’ en ‘vaselinetieten’ werden rechtstreeks uit het boek geïmporteerd en zelfs een hele pagina kwam linea recta in Axolotl Roadkill terecht. Hegemann liet zich niet meteen van de wijs brengen door de beschuldigingen. Stond tenslotte in haar boek niet te lezen: ‘Berlijn is de stad waar we alles met alles mixen’? Ze moest niettemin haar verontschuldigingen aanbieden: ‘Het was verkeerd om niet […] alle mensen te hebben genoemd van wie de teksten mij behulpzaam zijn geweest.’ Maar Hegemann pareerde de plagiaatclaims wel door te zeggen dat we nu eenmaal in het internettijdperk leven en ‘originaliteit’ niet bestaat, maar ‘echtheid’ wel. ‘Ik maak gebruik van alle dingen waardoor ik inspiratie vind en word gestimuleerd.’
       Journalist en auteur Marc Reynebeau liet over de zaak-Hegemann zijn licht schijnen in De Standaard: ‘De ooit zelf van plagiaat betichte schrijver Feridun Zaimoglu mopperde in de Süddeutsche Zeitung dat “het delict” wordt geminimaliseerd omdat het nu eenmaal gaat om “het meisje van het seizoen”, das Fräulein der Saison. In Die Zeit zag Iris Radisch in de hele commotie dan weer een poging van de ouwe venten van het literatuurestablishment om ook jonge meisjes en de nieuwe mediacultuur onder controle te krijgen. […] Nu stelt de digitale cultuur tekst en beeld en geluid zo direct beschikbaar, dat ze van iedereen lijken te worden. Ze zijn zo nabij dat ze elke geldwaarde verliezen. Alles is up for grabs. Letterdieverij? Welnee, dacht dat meisje van [toen nog] 17, dat heet remix en sampling – en daar valt ook aan te verdienen.’

Met het internet klikklaar onder de muisknop is plagiaat wellicht makkelijker te plegen dan ooit, maar tegelijk ook eenvoudiger te detecteren. Daar is – op het internet – veel literatuur over te vinden. Het fenomeen heet ‘web scraping’ of ‘content scraping’ en we maken er ons in een luie bui wellicht allemaal wel eens schuldig aan. Maar het internet zou het internet niet zijn indien daar al niet meteen oplossingen voor worden aangeboden. Er zijn ondertussen vele tientallen gratis programma’s die plagiaat kunnen detecteren. Sommige kunnen slechts het letterlijke overschrijfwerk aanduiden, maar gesofisticeerder materiaal haalt er ook de ‘diefstal van ideeën’ uit. Of ze ook twee romans naast elkaar kunnen leggen en de mogelijke letterroof blootleggen, is veel minder duidelijk. Dat herkennen zal wellicht het prerogatief blijven van scherpzinnige, belezen mensen.

Copyright als ‘gebruikersmonopolie’
De – niet toevallig postmoderne – Amerikaanse auteur Jonathan Lethem stelt de problematiek acuut in 2007 in zijn (erg uitgebreid geannoteerde) essay in Harper’s Magazine, ‘The ecstasy of influence’: ‘Als romanschrijver ben ik een kurk op een oceaan van verhalen, een blad op een winderige dag. Ik zal snel weggeblazen worden. Momenteel ben ik dankbaar dat ik ervan kan leven, en daarom moet ik vragen dat u voor een beperkte periode (in de betekenis van Thomas Jefferson) mijn kleine, gekoesterde gebruikersmonopolies respecteert. Plagieer mijn boeken niet, maar plunder mijn visie. Dit spel heet “Geef Alles Weg”. U, lezer, bent welkom in mijn verhalen. Ze waren toch al niet van mij om te beginnen, maar ik gaf ze u. Als u geneigd bent ze op te nemen, dan hebt u mijn zegen.’
       Jonathan Lethem is een auteur wiens boeken worden uitgegeven door een grote uitgever en waar je normaliter voor betaalt om ze te lezen. In zijn gloedvolle pleidooi pleit Lethem niet voor het schaamteloos jatten, noch voor de strikte bewaking van het copyright, maar voor het ‘tijdelijke gebruik’ van verhalen. Want ‘copyright is een niet-eindigende sociale onderhandeling, subtiel vervalst, eindeloos herzien, en imperfect in alle gedaantes’. Het copyright, zoals ook door Thomas Jefferson geconcipieerd, moest daarom ook eindig zijn. Het moest na enkele decennia ‘verlopen’. Het traditionele copyright leidt tot uitwassen, waarbij zelfs een e-mail naar iemand stricto sensu niet mag worden doorgestuurd – omdat dat door een restrictieve wet al als een inbreuk op het copyright kan worden gezien. Lethem pleit ervoor om het copyright als een ‘gebruikersmonopolie’ op te vatten. Kunstenaars die ‘in de val trappen om collagemakers, satirici en digitale samplers van hun werk aan te vallen, vallen meteen de nieuwe generatie scheppers aan vanwege de misdaad dat ze zijn beïnvloed’.

De zaak-Hegemann legt de inzet van de afbakening van het huidige auteurschap pas echt bloot. De auteur die zijn hof probeert af te plassen, heeft daar meer en meer moeite mee. Het systeem van het ‘auteursrecht’ komt haast onder onhoudbare druk te staan. De heisa die het veelbesproken Google Book Settlement heeft ontketend, is een uiting van die druk. Maar, laat het niet te erg aan je hart komen, zo zegt Lethem. Het hoort erbij – al moet de beïnvloeding binnen de perken van het aanvaardbare blijven.
       De hele heisa heeft Hegemann ondertussen allesbehalve windeieren gelegd. Het boek bleef maar gloriëren in de bestsellerlijsten en Hegemann deed de ronde van allerhande tv-programma’s. En o ironie, ook het model, Airens roman Strobo, profiteerde gulzig mee van de Hegemannhype. Maar Hegemann liet op haar achttiende verjaardag veiligheidshalve wel een herdruk verschijnen mét bronvermeldingen. Alsof ze het essay van Lethem ook had gelezen: ‘Het respecteren van de commons is geen kwestie van morele aanmaning. Het is een praktische noodzaak. In de westerse samenleving zitten we in een periode van verhevigd geloof in privé-eigendom ten nadele van het publieke goed. We moeten voortdurend blijven oppassen om raids te voorkomen van hen die egoïstisch ons gemeenschappelijke erfgoed willen exploiteren voor persoonlijk gewin. Zulke raids op onze natuurlijke bronnen zijn geen voorbeelden van ondernemerschap of initiatief, het zijn pogingen om van iedereen te nemen ten voordele van enkelen.’
       Hegemann kreeg, niet geheel onverwacht, ook felle tegenwind van de oude, gevestigde kongsi van teutoonse schrijvers. De Duitse schrijversbond, met leden als Günter Grass en Christa Wolf, voerde de druk hoog op bij de jury van de fictieprijs van de Leipziger Buchmesse, die Hegemann had genomineerd. Het vermaledijde boek mocht niet winnen, en dat deed het ook niet. In een verklaring zette de schrijversbond de puntjes op de i: ‘Als een geval van plagiaat als prestigieus wordt beschouwd, als geestelijke diefstal en vervalsingen als kunst worden geaccepteerd, dan illustreert zo’n standpunt een nonchalante aanvaarding van rechtsinbreuken in het gevestigde literaire bedrijf. Elk literair werk is een oorspronkelijk kunstwerk. Dat geldt voor alle soorten technieken van tekstproductie, ook voor literaire collages.’
       Hegemann had in haar apologie gezegd dat ‘plagiaat’ – of hoe je het ook wilt noemen – onlosmakelijk verbonden is aan de eenentwintigste-eeuwse, stedelijke en digitale context en dat het nieuwe soort copy-paste-‘auteurschap’ onvermijdelijk is, en dat de keuze voor plagiaat buiten haarzelf zou liggen. Dat is natuurlijk niet het geval, zo blijkt ook uit de dagelijkse context die door juristen en rechters succesvol wordt bewaakt. Zo mocht de Zweedse schrijver Fredrik Colting alias John David California van de rechter geen ‘vervolg’ publiceren op J.D. Salingers The Catcher in the Rye. Zelf vond Colting dat ‘dromen en creaties vrij zouden moeten kunnen rondzweven, anders zouden we geen lolly’s hebben of zou er niemand op de maan hebben gewandeld. Dat is het hele idee van creativiteit, om “outside of the box” te denken, om niet in een voorgevormde mal te blijven steken en af te hakken wat daarboven uitsteekt.’ Een hoogst romantische visie, die dus ook voor Lethem een stap te ver is.

Lawrence Lessig, een fervent heraut van de vrije content en commons, vindt in zijn boek Free Culture – zoals het volgens hem hoort, gratis op het net te raadplegen – dat ‘grote media de technologie en de wet gebruiken om de cultuur plat te leggen en creativiteit te controleren’. Maar ruikt dat niet naar een Grote Samenzwering waar geen enkel weldenkend mens in gelooft? Kan creativiteit zich immers door ‘grote media’ of ‘auteursrecht’ laten inperken?

Het oude model, waarbij schrijvers door middel van royalty’s een vergoeding voor hun creativiteit krijgen, zit wel degelijk in het defensief. Maar het krabbelt stilaan wel opnieuw op. De Britse schrijfster Tracy Chevalier gelooft zelfs dat het internet, met de daarbij horende inbreuken op het auteursrecht, op lange termijn nefast is voor de literatuur. ‘Niemand zal nog schrijven,’ vreest Chevalier, ‘als er geen antwoord wordt gevonden op deze problemen.’ Ter referentie: de eerste wet op het auteursrecht werd in 1709 in Engeland gestemd. Het voornaamste doel was het tegengaan van piraatedities enerzijds en het beschermen van auteurs tegen malafide drukkers anderzijds. Nu een boek meer en meer een bestand wordt, zal dus ook de piraterij – met plagiaat – hand over hand toenemen.
       Het is maar de vraag bij wie de uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt. Voornamelijk bij de auteur of voornamelijk bij de verspreider van zijn geschriften? Er is in verschillende cases gewezen op de taak van de uitgever als kwaliteitsbewaker en zijn controlemechanisme. De uitgever zou geen blind vertrouwen meer mogen hebben in wat hij van zijn auteur krijgt aangeboden. Hij zou de sluiswachter moeten zijn die ook de inhoud van zijn boeken kritisch blijft bekijken. Het is alleszins de taak van de uitgever om als fact checker op te treden, zo luidt het. Maar ook aan uitgeverszijde staan de budgetten onder druk. Een stevige redactieronde is minder en minder evident. In de contracten die uitgevers aan schrijvers voorleggen, is een stevige disclaimer opgenomen, die bepaalt dat het de auteur is, en hij alleen, die verantwoordelijk is voor zijn tekst.
       En dus lijken sommige auteurs dan ook maar de weg van de minste weerstand te zoeken. Dat een schrijvend tienermeisje er – min of meer – mee wegkomt, blijft niettemin uitzonderlijk. Het staat immers in de sterren geschreven dat content en originaliteit uiteindelijk weer meer en meer zullen worden afgebakend, beschermd en bekrachtigd, en dat het merendeel van de content users daar begrip voor zal (moeten) opbrengen. Zoals Lethem het zegt: ‘De toekomst zal erg op het verleden lijken.’
       Molière zou op een beschuldiging van naschrijverij hebben geantwoord: ‘Je prends mon bien où je le trouve.’ De inspiratie van de schrijver is geen nooit opdrogende bron. Als hij zijn verhalen niet ‘vindt’, kan hij ze inderdaad ergens ‘lenen’. Mits er aan enige voorwaarden – eerlijkheid, tijdelijkheid, originaliteit – is voldaan. Maar intertekstualiteit mag geen voorwendsel worden voor diefstal, daarvoor is het begrip van Julia Kristeva te waardevol.